|
|
14-03-2008 Moeders werken meer
Moeders stoppen steeds minder vaak met werken als zij kinderen krijgen. Ook zijn ze meer gaan werken. In tien jaar tijd is de arbeidsinspanning van moeders met 50 procent toegenomen.
Dit blijkt uit berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) Moeders werkten in 1996 nog gemiddeld 11,3 uur per week, in 2006 was dit 16,4 uur. Moeders met een baan werkten in 2006 gemiddeld 22,9 uur.
Omdat vrouwen zonder kinderen meer in deeltijd zijn gaan werken, wordt hierdoor de gemiddelde arbeidsduur minder. De gemiddelde Nederlandse vrouw heeft een baan van 26 uur. Toch is het kabinetsbeleid sterk gericht op de verhoging van de arbeidsdeelname van moeders. Nederlandse moeders gaan in tegenstelling tot elders in Europa niet meer werken naarmate hun kinderen ouder worden.
Sinds 2007 zijn basisscholen verplicht naschoolse opvang aan te bieden. Dit leidde tot een spectaculaire groei van de naschoolse opvang en het aantal gastouderbureaus. Het is nog te vroeg om het effect hiervan te meten op de arbeidsdeelname van vrouwen. CBS-onderzoeker Johan van der Valk verwacht niet dat het effect groot zal zijn.
‘De trend dat vrouwen met kinderen meer werken, was al ingezet lang voordat het kabinetsbeleid zich daar actief op richtte.’
Volgens Wil Portegijs van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) komt de groei van de naschoolse opvang en de gastouderbureaus vooral van ouders die voorheen gebruikmaakten van informele opvang zoals bij een oma of de buurvrouw. Maar het kabinet moet nu niet op de rem trappen. ‘We wilden groei van de kinderopvang. Dan moet je niet meteen terugkrabbelen als dit niet direct resulteert in hogere arbeidsdeelname van vrouwen.’
Uit de CBS-cijfers blijkt dat steeds minder vrouwen stoppen met werken bij de geboorte van het eerste kind. In tien jaar tijd is dat percentage teruggelopen van 25 naar 9 procent. Het aantal niet-werkende moeders is gedaald van 50 procent naar 28 procent. Moeders zijn bovendien meer uren gaan werken. In 1996 had 25 procent een parttimebaan, in 2006 was dit 36 procent.
bron: De Volkskrant
|
|